BSG - Geschiedenis

Inleiding

Geschiedschrijving lijkt vaak geen waarde te bezitten. Het belang te weten op wiens schouders je staat wordt niet hoog ingeschat; men kijkt liever vooruit. In de geologie heeft men echter het inspirerende gezegde to study the past, to learn about the future. Ook op de menselijke tijdschaal is dit van toepassing. Het BSG is nooit groot geweest en de geschiedenis leert ons dat dit ook niet snel zal gebeuren. Zij leert ons ook dat, om te kunnen bestaan, er een bindmiddel nodig is. Dit bindmiddel werd lang gevormd door het katholieke geloof, terwijl de verzuiling het corset vormde dat het ondersteuning gaf. Toen het bindmiddel niet meer voldeed en in de jaren zestig het corset werd afgeworpen, bleek de wankele basis van het BSG daar niet tegen bestand. Slechts het enthousiasme en het geloof in een reden van voortbestaan heeft het BSG gered. Zonder doel is er geen reden van bestaan, zo lijkt de het verleden aan de toekomst te leren. De nu volgende geschiedenis is gebouwd op de schouders van de vorige geschiedschrijvers en de archivarissen van het BSG, die de geschiedenis ook in vorige lustrumboeken tot in alle details hebben beschreven. Het is belangrijk dat deze uitgebreide geschiedenis aan eenieder doorgegeven blijft worden, omdat een besef van het verleden een zorg voor de toekomst waarborgt.

De oprichting

In de lente van 1926 werd een oproep uitgezonden door Jules Froger en Cees Smelt om tijdens een 'Brabantse Landdag' te Oirschot een Brabants Studenten Gilde mee te komen oprichten. Jules en Cees waren beiden student aan de T.H. Delft, katholiek en dùs lid van de Katholieke Studentenvereniging 'Sanctus Virgilius'. De zomerse Brabantse Landdag zou de gelegenheid bieden voor contacten tussen Brabantse, katholieke studenten onderling en met ons goede Brabantse volk'. Een trefpunt als de Landdag was om twee redenen gewenst. Studeren boven de rivieren betekende dat men thuis tijdens de lange zomervakantie tamelijk geïsoleerd was; het maken van grote reizen was wegens de kosten daarvan toen nog allerminst gebruikelijk. En wat het contact met 'ons goede Brabantse volk' betreft; dat klonk ook wel aantrekkelijk. Het programma voor de eerste Brabantse Landdagen, in een dorp uiteraard, was in grote lijnen door traditie bepaald. Na de begroeting van de deelnemers door de burgemeester trok men op naar de Hoogmis (kwam dat niet overeen met het tijdschema, dan kon men met de pastoor nog altijd een plechtig Lof in de namiddag afspreken). Na de mis verspreidde het gezelschap zich over de cafeetjes totdat alles in gereedheid was gebracht voor de Brabantse koffietafel in de open lucht, waarbij het altijd goed was van eten en drinken'. Na de maaltijd kwam dan de echte Guld het marktplein op voor het sacrale spel van het vendelen. Het hoogtepunt moest dan nog komen: de vergadering met de feestredenaar. Op die eerste landdag in 1926 te Oirschot gebeurde dit in het toneelzaaltje van 'Het Harmonieke'. Daarna concerteerde de roomse harmonie op het marktveld als afsluiting, tenzij een feestelijke maaltijd ter afronding was voorbereid. In 1926 zocht Jules Froger naar 'ons Brabantse volk', en meer concreet naar iemand die als spreker op de Landdag richtingwijzend zou kunnen optreden. Toevallig stootte hij op Dr. P.C. de Brouwer, tot dan toe geheel onbekend voor hem. Dr. de Brouwer is sindsdien als moderator (geestelijk adviseur) aan het Gilde verbonden gebleven. Hoogstwaarschijnlijk heeft 'den doctor' aan de wieg gestaan van de naam die de studentenvereniging kreeg bij de eerste Landdag: 'het Brabants Studenten Gilde van Onze Lieve Vrouw'. Dat het Gilde onder de hoede kwam te staan van 'Onze Lieve Vrouw' kan toegeschreven worden aan het feit dat 'moeder de vrouw' de scepter zwaaide in het doorsnee Brabantse gezin. In die hoedanigheid heeft zij ervoor zorg gedragen dat Brabant in de tijd van Reformatie en retorsie zo goed als volledig katholiek is gebleven. Zo moet ook Dr. de Brouwer gedacht hebben. Voor Dr. de Brouwer was het Brabants Studenten Gilde een instrument om toekomstige intellectuelen te doordringen van zijn eigen ideaal: het Brabantse volk te helpen zijn minderwaardigheidsgevoel te overwinnen en zich bewust te worden van zijn eigenheid, zoals die in de loop der eeuwen was ontstaan. De eigen identiteit was af en toe misschien gevormd door geografische, ethnologische en historische factoren, meer wezenlijk echter door de gemeenschap vormende kracht van het Rooms-Katholieke geloof. Het Brabants Studenten Gilde won aan levenskracht door de opening van de Tilburgse Hogeschool in oktober 1927, al gauw gevolgd door het Tilburgs Studentencorps 'St. Olof'. De mores van een katholiek corps werden aan hen overgedragen door het Delftse corps, Jules Froger incluis. Uit dit vroege contact is het te verklaren dat de Landdag van 1928 al door 'Tilburg' werd georganiseerd. In Hilvarenbeek werd de Landdag voorafgegaan door heuse klassikale studiedagen over sociale vraagstukken. De Hilvarenbeekse Landdag kende een aanzienlijke opkomst. Aan de koffietafel zaten zo'n vijftig personen, waaronder de burgemeester, Dr. de Brouwer en Prof. Kaag met echtgenote. Zo'n honderdvijftig dorpelingen, inclusief twee toezichthoudende marechaussees, completeerden het geheel. Het Gilde was nog niet groot en is dat eigenlijk ook nooit geworden. Het was, althans objectief gezien, een allerbescheidenste manifestatie dat er een academische jeugd in Brabant begon op te komen (1).

Intensivering en identiteit

De 'Tilburgse' Landdag in Hilvarenbeek wakkerde het enthousiasme voor het Gilde aan. Men ging streven naar een intensiever gildeleven, wat zich uitte in samenkomsten in de kerst- en paasvakanties voor de leden. Deze samenkomsten werden niet centraal, maar districtsgewijs in de diverse steden gehouden. Naar oude gilde-zede werd op tweede kerstdag en op tweede paasdag begonnen met een Heilige mis. Hierna werd gezamenlijk ontbeten. Het ontbijt werd gevolgd door een spreker van buiten of uit eigen kring, waarna weer koffie werd gedronken, pijp werd gerookt en over het gehoorde nageboomd. Zelfs in het licht van het lage aanbod aan Brabantse studenten moet men vaststellen dat het Gilde wel heel moeizaam op gang is gekomen, kijkend naar de foto van de koffietafel van de vijfde Landdag (wederom in Oirschot) in 1930. 34 deelnemers, onder wie Dr. de Brouwer en de Vlaamse pater van Sante O.P., die de rede zou houden, vergezelden de burgemeester en een paar leden van het comité uit de burgerij. Goed geteld waren er maar 25 lid van het Brabants Studenten Gilde. De -nog steeds kleine- groep werd echter wel steeds actiever. Voorafgaand aan de Land- dag werd voortaan een driedaags studiekamp gehouden, waarbij de deelnemers in een boerenschuur waren ondergebracht of in een eigen tent op het erf van de boer bivakkeerden. Om de geest even te ontspannen maakten ze tussendoor fietstochten en op de vooravond van de Landdag stookten ze een groot kampvuur, waaraan de mensen uit de naaste omgeving en vooral de kinderen opgetogen deelnamen. Zo'n kamp vond voor de eerste keer plaats in 1929 te Zundert, voorafgaand aan de Landdag te Alphen. De tweede keer was in 1930 te Oirschot.

Tweespalt en scheuring

Aansluitend op deze landdag vond er op 31 augustus van dat jaar een bijeenkomst plaats van de 'gilde-leiders' met de moderator, teneinde de identiteit van het gilde ideologisch uit te bouwen. Dit resulteerde in een stuk van drie vellen dat niet bedoeld was als reglement, maar als vastlegging van enkele 'gegroeide' richtlijnen. Aan de leden werd een bewuste levenswandel naar de volgende vier gezichtspunten voorgehouden: het katholiek-zijn, het Brabander-zijn, het student-zijn en het gildebroeder-zijn (studenten waren nog altijd vooral jongens). Opvallend hierbij is dat het godsdienstige facet evenveel aandacht kreeg als de andere drie samen. Dit komt vooral doordat aan het katholiek-zijn een persoonlijke gedragsmoraal werd verbonden. Er werd gewaarschuwd tegen een materialistische levenswandel. De gildebroeders zouden bij zichzelf, als voorbeeld voor anderen, de genotzucht moeten bestrijden. 'Immers, in de geschiedenis volgde altijd op een periode van weelde en genotzucht het geestelijk verval, terwijl aan een periode van geestelijke opbloei altijd een periode van eenvoud, soberheid en zelfverloochening vooraf ging.' Wat het 'bewuste Brabanderschap' betreft, valt in de richtlijn de stelling op dat men 'alle ongezond provincialisme' moest vermijden. In de frase over het 'gildebroeder-zijn' werd gerept over 'een echte eenvoudige broederlijke geest'. Een zinsnede uit de paragraaf over de verplichtingen als 'student' bevat twee tegenstrijdige elementen, die later een scheuring binnen het Gilde teweeg zou brengen. De studie van het vak was uiteraard de eerste plicht van de student geacht, maar hierop volgde meteen de uitspraak: 'daar zij krachtens hun studie tot de leidende standen van hun volk moeten gaan behoren zullen zij in hun studententijd de algemene beschavingsvraagstukken bestuderen, waardoor zij hun volk later met inzicht kunnen dienen.' De dienende kant van de komende intelligentia aan hun volk was het leidmotief van Dr. P.C. de Brouwer. Aangezien het lage banen-aanbod in het wat achtergebleven Brabant een brain-drain dreigde te veroorzaken, was het zaak de academici zich aan Brabant te laten verplichten. Daarnaast was er de stelling dat de academici vooral tot de 'leidende standen' behoorden. Er werd gerept over vertikale' en horizontale' standen. De vertikale beroeps-standen' behelsten alle medewerkers aan een produktielijn van grondstof tot eindprodukt. Ze werden gezien als de pijlers van de 'perfecte samenleving': de Staat. Deze pijlers dienden bijeengehouden te worden door het cement van de horizontale standen: arbeiders, burgerij, academici, geestelijkheid, etc. In de hier beschreven visie waren de katholieke academici de aangewezenen waren om de leidende-standsorganisaties in het leven te roepen (1)! De dienende rol werd naar achteren geschoven. Het verschil in benadering van de richtlijnen is aanvankelijk door niemand onderkend als een vonk waaruit een binnenbrandje zou kunnen ontstaan. Om te kunnen begrijpen dat ondanks alle (in de richtlijnen uitgesproken) verwachtingen van de 'oprechte broederlijkheid' een diepe kloof in het Gilde ontstond, moeten we even terug naar de uitwendige geschiedenis. Rond 1930 verschenen naast De Brouwer twee priesterfiguren, die als twee antipoden kunnen worden beschouwd. Het waren antipoden van nature, die wegens hun geprononceerde eigenschappen en opvattingen voorbestemd leken volgelingen naar zich toe te trekken. Deze volgelingen konden elkaar op een bepaald moment niet meer verdragen en sloegen hun eigen weg in. De priesterfiguren hebben zelf nooit strijdend tegenover elkaar gestaan. De één was Pater R. van Sante O.P., die vanaf "Oirschot 1930" vooral via de Delftenaren contacten met het Gilde bleef houden, de ander was de collega en oud-congregatie-genoot van Dr. de Brouwer: Frans Siemer. Siemer was van 'Leonardus', de studentenvereniging aan de Katholieke Leergangen. Via hem was er, ook voor het Gilde, een nieuwe culturele impuls ontstaan: in 1931 werd op de Landdag in Baarle-Nassau onder de (onzichtbare) regie van Siemer een openlucht-toneelspel opgevoerd: 'De gehangene met den koorde', van Henri Gh‚on. Pater van Sante, ook daar aanwezig, hield niet van toneelspelen en van spel in het algemeen. Hij was een ernstig filosoof en theoloog, hetgeen in die dagen op het- zelfde neer kwam. Waarom enkele gildeleden, vooral Delftenaren, hem mateloos vereerden, is niet echt duidelijk. Er werd over hem gesproken als dè pater, net zoals P.C. de Brouwer werd aangeduid met dèn doctor. Waarschijnlijk werd daarmee bedoeld Pater van Sante als concurrerend (of zelfs als enig) geestelijk gezag in het Gilde aan te merken. Van een tegenstelling in geloofsbeleving was in echter weinig sprake. De uitbundige' Siemer leefde uiterst matig, dronk geen druppel alcohol en had alles, ook in materiële zin, over voor anderen. Hij viel niemand lastig met persoonlijke principes, maar leerde zonder zedepreken de jonge mensen rond hem een 'scone' leven te leiden. Mogelijk kwam het de 'Van Santianen' voor dat de levensstijl van de 'Siemerianen' te overvloedig was en doelden zij met hun eigen soberheid op een ingetogen levenspatroon ter voorbereiding op de ernstige taken die hen in de toekomst wachtten. Het een feit dat een bloed-ernstige politieke richting als het 'Verdinaso' (Verbond van Dietsch Nationaal Solidaristen) binnen het Gilde aanhang heeft gekregen bij de partijgangers van Pater van Sante. Bij menig deelgenoot aan die groep leefde een oprecht idealisme, maar het fanatieke karakter ervan werkte wel op de zenuwen en de lachspieren van de levensluchtigere en een potje bier drinkende gildebroeders. Zij reageerden met opzettelijke luidruchtigheid en het zingen van spotliederen. In het kamp van 1932 schijnen zich ernstige moeilijkheden te hebben voorgedaan. De daarbij aansluitende Landdag in Gemert verliep nogal rustig. Op de Landdag van Huijbergen (1933) barstte de bom. De 'Van Santianen' traden definitief uit het Gilde. En nog wel op de Landdag waarop een nieuwe traditie een aanvang nam (1).

Initiatief kapellenbouw

Op de Landdag in Huijbergen werd de eerste door gildebroeders tijdens het kamp gebouwde Mariakapel ingezegend. Deze kapellenbouw, waardoor het Gilde in de daarop volgende jaren enige naambekendheid kreeg, is niet een initiatief van de officiële gildeleiding geweest. Vermoedelijk heeft Siemer er wel de hand in gehad. Hij kwam geregeld bij de familie Bedaux, die een mini-Mariakapel in de hof van het ouderlijk huis had gebouwd. Siemer heeft waarschijnlijk bij het bestuur aangekaart om tijdens het kamp van het Gilde iets dergelijks te bouwen. De eerste kapel in Huijbergen was een vergroot duplicaat van de Bedaux kapel, ook nu weer gebouwd door dezelfde leden van de familie Bedaux. Deze activiteit heeft zoveel enthousiasme opgewekt onder de gildebroeders, dat werd besloten zo mogelijk elk jaar een kapel te bouwen. Tot in de oorlog toe, zij het toen op afgelegen plaatsen door onderduikers, is dit inderdaad ieder jaar gebeurd. De ontwerpen werden iedere keer aangeboden door de architect Bedaux. Toen in 1945 de oorlog voorbij was, werd in Oosterhout de traditie met zo'n grote kapel hernomen, dat ze niet door studenten gebouwd kon worden, maar moest worden uitbesteed. Nadien is de traditie echter op de gebruikelijke manier hervat.

Brabantia Nostra

De leidende rol voor academici, zoals die was geformuleerd in de richtlijnen van 1930, lag ten grondslag aan een voorstel in datzelfde jaar om een brochurereeks uit te geven over de historie van Brabant. Dit initiatief kwam van Geert Ruygers, student Nederlandse letteren aan de Katholieke Leergangen te Tilburg. Dr. P.C. de Brouwer had de naam al bedacht: 'Brabantia Nostra', wat niet oubollig als 'Ons Brabant' moest worden verstaan, maar als een strijdkreet: 'Brabant aan ons!' De niet-Brabander Joop Meijers, student in Utrecht, wist het Gilde ervan te overtuigen dat een brochurenreeks te elitair was en dat het beter was een tijdschrift, liefst een weekblad, uit te geven. De verwezenlijking van het idee liet op zich wachten. Het vertrek van de Van Santianen in 1933 betekende een verschuiving van de rol van het Gilde richting het dienende standpunt. De uitgave van het tijdschrift werd echter volledig gesteund door Dr. de Brouwer en Siemer. Hun belangrijkste drijfveer was vooral het idee dat het katholieke Brabantse volk tot bewustwording moest worden gebracht, waarbij de jonge intellectuelen zich ter beschikking moesten stellen. De gedachtenwereld van het Gilde bleek, na afstand te hebben genomen van incidentele nationalistische en politieke aangroeisels, nu geschikt om het idée directrice van een nieuwe institution voort te brengen (1). Uit de propaganda-acties voor het blad groeide in de loop van het jaar 1938 (officieel pas 1 januari 1939) een 'Beweging Brabantia Nostra', die o.a. 'verantwoordelijk' is voor de bouw van de Mariakapel aan de nieuwe Moerdijkverkeersbrug. In de zomer van 1942, toen aansluiting bij de Kultuurkamer dreigde en Frans van der Ven met Jef de Brouwer werden gegijzeleld, werd besloten de uitgave van het blad te staken. Na de oorlog fuseerde het heropgerichte Brabantia Nostra met een 'Brabantse Beweging' en gaf ze het populaire gezinsblad 'Edele Brabant' uit. Maar ook dit was geen lang leven beschoren. De enige concrete naoorlogse activiteiten waren de Groot-Kempische Cultuurdagen te Hilvarenbeek en het Brabants Halfuur op de KRO-radio. In 1950-51 kwam Brabantia Nostra weer als blad uit, maar na ‚‚n jaargang ging het noodgedwongen samen met het 'Provinciaal Genootschap' over in 'Brabantia', dat nog steeds bestaat. De enige keren dat Brabantia Nostra nog wat van zich liet horen was door het organiseren van congressen in de jaren 60 (2).

De lotgevallen van het BSG in de jaren 1940-1945

Na de capitulatie van Nederland in mei 1940 begrepen weinigen wat voor gevolgen dit kon hebben. Langzaam herstelde het leven van alledag zich en zo kon het ook gebeuren, dat het Brabants Studenten Gilde in augustus 1940 haar jaarlijkse kamp hield in Eersel. Ook nu werd een kapel gebouwd, inleidingen gehouden, gegeten en gepraat, geschertst en gedronken. Ongestoord werden nationale liederen gezongen, feller dan normaal. Men rekende er echt op dat het jaar daarop weer een kamp werd gehouden in een vrij Nederland. Ook toen er van hogerhand steeds meer restricties werden opgelegd, en bijeenkomsten van meer dan twintig personen aangevraagd moesten worden, wist het Gilde van geen ophouden. Zelfs niet toen, na negering van dit gebod de praeses en enkele leden hadden vastgezeten. De traditie van het Gilde moest worden voortgezet, zij het voorzichtig. Er kwamen zelfs nog nieuwe ideeën op tafel. Het volgend jaar zou op het kamp een sociografisch onderzoek ingesteld worden naar een streek van Brabant. De studenten zouden de toestand van de streek beschrijven, en zo het contact met de bevolking bevorderden. De gevaren van dat moment beletten echter de uitvoering van het plan. Op het kamp in Beers, op het landgoed van Prof. de Quay, werd in twee weken een kapel gebouwd van materiaal, aangevraagd voor de bouw van een boerenschuurtje. Studenten stonden nog niet als 'Deutsch-feindlich' bekend; de grote studentenstrijd was nog niet ontbrand. Die kwam aan het einde van dat jaar, 1942, en in begin 1943. In februari 1943 werden de eerste studenten door de bezetter naar Vught gebracht en werd het Gilde volledig in dienst van de studentenstrijd gemobiliseerd. Het verkrijgen van informatie over alle ontwikkelingen was voor de studenten nu van het allergrootste belang om deel te kunnen nemen in de zo ongewone strijd. Velen waren echter sinds de Vught-affaire thuis gebleven, of op het platteland ondergedoken. In het bereiken van de medestudenten was een taak weggelegd voor het Gilde. Er werden eind februari studenten bijeengeroepen, die de taak op zich namen in Brabant alle studenten met berichten, Geuzen e.d. te bereiken. Teneinde onder alle omstandigheden iedereen te kunnen bereiken werden in iedere plaats meisjes aange- zocht om zo nodig de taak van de studenten over te nemen. In mei 1943, toen deze contact- en verzetsgroep, een 'neven-organisatie' van het Gilde, op volle toeren ging werken, werden ook deze meisjes, 'nichtjes', volledig ingeschakeld. Vanuit het BSG werkten dertig studenten en zeventien 'nichtjes' werkten in de strijd tegen de bezetter. De contacten met de Nederlandse studenten in Duitsland verliepen ook via de nichtjes, die hen brieven en pakketjes bezorgden. De zorg voor de ondergedoken studenten kwam echter op de eerste plaats. De studenten streden op de hen eigen manier, ze boden in de beslissende maanden van begin 1943 een volledig, geestelijk verzet. De strijd kostte offers; van iedere student minstens tijd, energie en geld. Maar gelukkig heeft het Brabants Studenten Gilde van onze Lieve Vrouw niemand verloren als gevolg van zijn of haar werk. Inmiddels was de specifieke roeping van het Gilde niet vergeten. In augustus 1943 door een kleine groep studenten in Tilburg, op Moerle, een kapel gebouwd ter ere van Onze Lieve Vrouw van de Goeden Duik. Bovendien hield het bestuur contact met (oud-)leden van het Gilde om het naoorlogse (Gilde-)werk voor te bereiden. In 1944 werd door een dertigtal studenten een kapel in Heeswijk gebouwd, in een ongekende vrijheid en vooroorlogse sfeer. Op 15 augustus 1944 woonden een vijftigtal gasten de inzegening van de kapel bij. Op dezelfde dag was de heldere lucht bedekt met geallieerde vliegtuigen, die de vliegvelden van Nederland bombardeerden - voor Brabant een teken van het naderende einde van de strijd, en het verkrijgen van de zo lang verwachte vrijheid (3).

Wederopbouw en vooruitgang

Het bestuur, dat sinds 1943 het Gilde leidde en in die tijd ook zo voortreffelijk het onderduiken en verzorgen van de naar het Zuiden van ons land gevluchte studenten op zich nam, vatte zijn eigenlijke taak (vorming van katholieke intellectuele Brabanders) na de bevrijding weer op. Het Gilde streefde er nu echter naar om niet meer voor als een kleine kern te werken, zoals tot dan toe onbedoeld was gebeurd, maar voor alle Brabantse studenten, opdat het Brabants Studenten Gilde van Onze Lieve Vrouw haar taak naar waarheid kon vervullen (4). Het leeuwendeel van de Brabantse studenten was vlak voor of tijdens de oorlog begonnen en was onvoldoende van het Gilde op de hoogte. Het was zaak hen te bereiken, maar de middelen hiervoor (circulaires) waren echter beperkt en lieten weinig ruimte om het BSG en de haar leidende idee uiteen te zetten. Er werd daarom besloten tot de uitgave van een brochure over het Gilde. In deze brochure werd ook het sociografisch werkkamp voor het eerst als Gilde-activiteit aangekondigd. Het Gilde wilde, behalve hen voor Brabant te behouden, de student ook voorbereiden voor de toekomst. Er moest derhalve gewaakt worden voor niet-realistisch sectarisme en provincialisme. Integratie werd derhalve gezien als een belangrijk onderdeel van de academische studentenorganisaties. Tijdens de trimesters aan de academie vonden er daarom weinig Gilde-activiteiten plaats. Want wanneer dit algemeen gedaan zou worden, hierbij denkend aan de Friesche Studentenbeweging, aan een Limburgs, een Twents en een Zeeuws Gilde, aan het Hollands Studenten Gilde van St. Jeroen en aan een Gilde in de Lijmers (Gelderland), die in die tijd werden (her)opgericht, dan zouden de academische studentenorganisaties enorm opgesplitst worden, met alle gevolgen vandien. Juist aan de academie bestond gelegenheid contact te leggen met studenten uit alle streken van ons land. Zo werd weer gewezen op het ene Nederland en werd men voor een gewestelijk chauvinisme behoed. Ook na de oorlog bleef de grootste activiteit van het Gilde het Zomerkamp, afgesloten met de Landdag der Brabantse studenten. Nieuwe hierin was dus het Sociografisch werkkamp, reeds in 42 ontstaan maar door de bezetting nimmer verwezenlijkt. De gedachten achter het werkkamp waren als volgt. Voor velen was de Gilde-idee ideaal, maar het Gildewerk te abstract. In het Sociografisch werkkamp werd gelegenheid geschapen voor iedere student om naast de verstandelijke voorbereiding praktisch te werken in zijn eigen vak in het eigen gewest. Het verschil van de oude Zomerkampen met de nieuwe sociografisch werkkampen werd bijna volledig uitgedrukt in het verschil tussen de begrippen theorie en praktijk. Zelfs de opvatting van het Gilde over het contact met het volk werd nu bij het sociografisch enquˆte-werk pas realiteit. De Zomerkampen kregen onder invloed van de Sociografische kampen een wat ander karakter en leverde meer inzicht in bepaalde Brabantse problemen dan tot dan toe mogelijk was. Hiermee kon op het Brabantse platteland ook beter het vertrouwen in de toekomstige leidende stand gewonnen worden. De academici konden de basis scheppen voor de vorming van alle Brabanders, ieder naar aard, aanleg en stand. Brabant, de laatste tientallen jaren ontworsteld aan een toestand van onderont- wikkeling en armoede, voelde zich nog steeds achtergesteld. De deels gegronde reactie op deze achterstelling ging echter weer te ver. Men vergat bovendien de hand in eigen boezem te steken, de eigen fouten te signaleren en te trachten deze te verbeteren. De opkomende academische stand, die belangrijke posities in en buiten Brabant zouden gaan innemen, zou de achterstelling echter spoedig moeten doen verdwijnen. Het Gilde kon bijdragen aan de daadwerkelijke verheffing van Brabant en daarom was haar plaats temidden van andere bewegingen die naar deze verheffing streefden zo belangrijk. De Sociografische werkkampen werden over een lange periode uitgevoerd. Dat de uitkomsten behoorlijk in de buurt kwamen van de verwachtingen moge wel blijken uit het onderstaande artikel dat overgenomen is uit een Den Dungens blad uit 1949, alwaar in dat jaar het Zomerkamp werd gehouden: "...de bedoeling is dus dat de toekomstige intellectuele leiders van Brabant en het volk van Brabant elkaar goed leren kennen. Dit jaar is die opzet volledig geslaagd: in Den Dungen mag je geen kwaad woord meer zeggen van de studenten, want ze kennen hun losbandigheid en lichtzinnige streken nu van eigen aanschouwing, maar ook hun ernst en oprechtheid hebben ze leren waarderen. En de studenten kennen Den Dungen d.w.z. de meesters van de school, de ambtenaren van de gemeente, de boeren en tuinders, de smid en de timmerman, de kappers die tegelijk een tabakswinkel bedrijven, burgers en lieve burgeressen, zo goed als de geestelijke en de burgerlijke grootheden. En dit is heel belangrijk: leiders en volk hebben elkaar leren "ken- nen, waarderen en liefhebben". Auteur vindt dit laatste net zo belangrijk en bovendien veel hoopgevender dan de uitvoerige verslagen betreffende droevige politieke constellaties. Nochtans heeft de Volkskrant aan de hele soesah geen regel lood verspild. Het leven wordt immers gemaakt in de hoofdsteden, maar op een dorp? Wat goeds komt er uit Nazareth, nietwaar (5)?

Aanpassing aan de tijd

In de zestiger jaren had BSG-moderator Bogers in geen weet van de BSG-statuten en werd hun bestaan zelfs sterk in twijfel getrokken. Dit blijkt uit het artikel in het verslag van het Paascongres van 1966, dat behalve deze misser een duidelijk beeld van het BSG en haar bestaansrecht uitdraagt: "Welke waren de bedoelingen van het Gilde? Waaruit en waarvoor bestond het Gilde? Hoe lagen deze bedoelingen vast in haar statuten? Hebben ze ooit bestaan of werden ze telkens opnieuw opgesteld en even prettig als nonchalant afgeleid uit wat zich voordeed? Het Gilde bloeit als een roos boven de afgrond, en het is met dit riskante bestaan vertrouwd geworden. Daarom vraagt het niet meer naar de zin van haar bestaan en wordt dus noch gefolterd door de wanhoop van de absurditeit, noch gesteund door de waanwijsheid van de onmisbaarheid. Het Gilde leeft, maar als iemand op hogeschool of universiteit vraagt, wat het in haar schild voert, kan men slechts antwoorden: Kom en zie. En dan zijn er niet zoveel die na een eerste kennismaking geen sympathie gaan voelen voor het samenzijn met zo weinig consequenties en zoveel warmte. Het bestaan zonder statuten waarborgt een uiterst snelle aanpassing aan de vragen van de tijd. Van augustus-kamp werd overgeschakeld naar Paaskamp. Van gezellig samenzijn met enkele lezingen en kapelbouw van weinigen, werd bewust overgeschakeld naar het sociologisch onderzoek. Het Gilde is zich langzaamaan bewust geworden van de mogelijkheid tot dienstbaar zijn in actuele behoeften. Het zal nooit de eigen behoefte vergeten, maar het zoekt in dialoog met de behoeften van een bepaalde plaats telkens haar eigen actuele vorm. Op de meest vanzelfsprekende wijze heeft het Gilde gebroken met de handhaving van een idyllisch Brabants bezit. Op een in deze tijd irriterende wijze komt in het oude Gilde-lied vier maal het woord 'hebben' voor, als een dominerende functie. Het 'hebben' camoufleert veel innerlijke leegte, zolang het de brug niet is naar het 'zijn'. Men voelt zich nu ge‹ntegreerd in de Nederlandse samenleving en heeft geen handhaving meer nodig. Men is ontvankelijk en dankbaar voor andere invloeden en voelt zich slechts Brabander - en dit is reële aanvaarding en erkentelijkheid - voorzover het hen helpt om beter Nederlander en wereldburger te zijn. Deze erkentelijkheid laat de renist zich bij het Gilde thuis voelen. Hij bevindt zich in zijn oude klimaat van de Brabantse aanspreekbaarheid, openheid en hartelijkheid (7)". In 1966 werd te Valkenswaard het achtste lustrum gevierd. Tevens sloeg het Gilde hier een nieuwe weg in. Voor het eerst werd er gebroken met het sociologisch onderzoek. In 1966 verschoof de nadruk weer meer richting de sociale en dienende rol van de student in de samenleving, geheel in overeenstemming met de tijdgeest. Het jubileumcongres werd in de vorm van een voorlichtingscongres gegoten: alle eindexaminandi van middelbare scholen, kweekscholen en hogere technische scholen van Eindhoven, Valkenswaard e.o. waren met het oog daarop uitgenodigd (5).

Het einde?

In 1971 werd geen Paascongres gehouden: de omslachtige bestuursstructuur, waarbij de bestuursfuncties waren verdeeld over Tilburg, Nijmegen en Wageningen, leek het nog resterende enthousiasme de grond in te hebben geboord. Eind 1969 tekende het onheil zich al af. In Nijmegen brandde het vuur echter nog wel, getuige een brief van een Nijmeegs bestuurslid aan de quaestor, waarin de schrijver fel uithaalde tegen het voorstel van een mede-bestuurslid BSG met ingang van 1 januari 1970 op te heffen. Hij stelde hierin ook voor - en wel zo gauw mogelijk - een bestuursvergadering te beleggen: "Misschien zouden we deze vergadering de vorm kunnen geven van een "retraite", waarin we ons bezinnen over het recht dat "wij" menen te hebben een vreugdevolle traditie al dan niet te beïndigen." Het Gilde was voorlopig gered. In 1970 werd vanuit de Nijmeegse gelederen een congres georganiseerd, ditmaal te Nistelrode. In augustus 1971 was men nog bezig met de financiële afhandeling van dit congres en, hoewel men stelde: "...dat dit congres heeft bewezen, dat het BSG op de goede weg is en alle reden heeft zich voor te bereiden op het 45e congres," bloedde het BSG-gebeuren dood (5).

Reactivatie

Op 3 mei 1973 werd het BSG gereactiveerd vanuit Wageningen. Men besloot de in 1966 ingeslagen weg te volgen en stelde zich ten taak eens per jaar in de vorm van een congres de actuele problematiek van een bepaalde Brabantse gemeente samen met de inwoners te bediscussiëren. Na een aanlooptijd, gestructureerd door een coördinatiecommissie, werd op 13 november de macht van het oude bestuur "officieel" overgenomen door het nieuwe (Wageningse) bestuur. Buiten Wageningen hield het animo voor het BSG niet over, maar wellicht kon het Gilde ook daar via per- soonlijke benadering weer gaan leven. In Wageningen daarentegen liet men er geen gras over groeien. In oktober 1973 stond reeds vast dat Lieshout de komende congres-plaats zou worden. In januari 1974 werd in Lieshout een informatiedag gehouden, waarna van 4 tot 7 april het Paascongres zich aldaar voltrok. Dit congres werd een onverdeeld succes. In de daarop volgende jaren ging het Gilde op dezelfde voet verder. De Gilde- doelstelling werd als volgt: "Het BSG stelt zich primair tot taak contacten te leggen tussen bewoners en studenten in Brabant, zodat beide groeperingen ervaringen kunnen uitwisselen waarbij een brede oriëntatie op het maatschappelijk gebeuren mogelijk wordt". De verschuiving van de primaire invalshoek van het Gilde van het "katholiek-zijn" uit 1930 naar het "breed oriënteren" van 1973 is niet geleidelijk verlopen. Uit de geschiedenis vallen twee grote stappen te onderscheiden: de overgang naar een praktische invulling van het contact met de bevolking via de sociografische kampen en de veranderingen in de jaren 60, 1966 in het bijzonder. De tijdelijke opheffing van het BSG met haar confessionele achtergrond past in het tijdsbeeld van de jaren zestig, waarin de ontzuiling en de ontkerkelijking een grote vlucht nam. Het BSG herrees in 1973 dan ook zonder haar confesionele inslag. Het "katholiek-zijn" was voortaan vooral een historisch onderdeel van het "Brabander-zijn". Het afwerpen van de geloofsmantel was terug te vinden in de naamsverandering van de hoofdactiviteit, die niet meer als "(Paas)Congres" werd betiteld, maar als "Landdagen van het BSG". Weliswaar na enige discussie, want "Landdagen" zou iets afstotends (NSB) in zich dragen. Opvallend is dat de opzet van deze Landdagen door de jaren heen weinig verschilt van de in 1974 ingeslagen weg. Uiteraard vindt men verschillen in de diverse programma-onderdelen, maar deze zijn veelal het gevolg van inspelingen op plaatselijke en toevallige omstandigheden. De Landdagen bevatten immer een aantal thema-avonden, waarvan er minstens één een agrarisch onderwerp behandelde, om zo aan te sluiten bij de plaatselijke bevolking.

Verwijzingen

1. Prof. dr. Frans van der Ven, Lustrumboek 1986, "Van Geestelijke Bezinning en Brandewijn." pag. 16-35. 2. J.L.G. van Oudheusden, Reünistenperiodiek, jaargang 2 (1989), 2 pag. 20-25. 3. Gerard Freeman, Lustrumboek 1986, "Van Geestelijke Bezinning en Brandewijn." pag. 36-40. 4. Ad Overing, Het Brabants Studenten Gilde van Onze Lieve Vrouw, juni 1946, pag. 3-11. 5. Lustrumkrant 1981, "Een Bloemlezing uit 55 jaar BSG." 6. BSG-verslagen over de jaren '52, '55, '55-'56, en '57-'58. 7. Drs. H.A.L.A. Bogers, moderator BSG., Verslag Paascongres 1966.